De beroemde Nederlandse en internationaal vermaarde medicus en scheikundige Herman Boerhaave (1668-1738) geeft in zijn "Elementa Chimiae" uit 1732 een indeling van alle in de natuur aanwezige stoffen.
Hij deelde de stoffen in naar hun herkomst:
Tegen het einde van de 18e eeuw realiseerde men zich dat de scheiding tussen plantaardig en dierlijk niet helemaal juist was. Men ontdekte dat sommige stoffen zowel in plantaardige als in dierlijke materialen voorkwamen. Vanaf die tijd hanteerde men een verdeling in organische (uit de levende natuur) en anorganische (minerale) stoffen. In die tijd geloofde men er heilig in dat de stoffen uit de levende natuur niet waren na te maken. Inmiddels weten we beter. Ureum was de eerste stof uit de levende natuur die uit anorganische elementen kon worden nagemaakt. Tegenwoordig kunnen we talloze "organische" stoffen in het laboratorium en op grote schaal namaken (synthetiseren).
De Franse geleerde Antoine Lavoisier (1743-1794) ontdekte dat de belangrijkste bouwstenen van de organische verbindingen (o.a. eiwitten, vetten en koolhydraten) bestaan uit de elementen koolstof, waterstof en zuurstof. Daarna ontdekte men al snel dat ook elementen als stikstof, zwavel, en fosfor incidenteel als bouwstenen voorkwamen.
Naast de elementen koolstof, waterstof, zuurstof en stikstof heeft het lichaam ook een aantal anorganische elementen (kortweg mineralen genoemd) nodig voor het instand houden van allerlei lichaamsfuncties. Mineralen zijn onmisbare bouwstoffen voor het skelet, cellen en weefsels en zijn belangrijke componenten van enzymen, vitamines en hormonen. Opgelost in een waterige vloeistof hebben ze een regulerende functie bij het instand houden van de vloeistofdruk in de cellen en het zuur-base evenwicht (de zuurtegraad). Keukenzout (NaCl) opgelost in water splitst in de losse "elementen" (ionen) natrium (Na+) en chloor (Cl-). We noemen dit soort zouten elektrolyten, omdat de losse elementen (ionen) een positieve of negatieve elektrische lading hebben.
In het voorbeeld van keukenzout is het element natrium positief en het element chloor negatief geladen. De geladen deeltjes noemen we ionen. Het menselijke lichaam bestaat voor circa 4 % uit mineralen. Dit is voor een volwassene van gemiddeld 75 kg 3,0 kg aan mineralen. Het lichaam is niet in staat minerale elementen aan te maken en deze moeten dus dagelijks met de voeding worden ingenomen. Ook mineralen zijn dus essentiële voedingsstoffen.
Tenminste 18 mineralen worden onmisbaar geacht in onze voeding. Deze vervullen ieder minstens één functie in het lichaam die van wezenlijk belang is voor het leven, de groei of de voortplanting.
Afhankelijk van het voorkomen in ons lichaam en de behoefte worden mineralen onderverdeeld in:
Een uitgebalanceerde voeding bestaande uit melk of melkproducten, vlees of vleesvervangers, vis, verse groente en fruit bevat voldoende van alle essentiële mineralen en spoorelementen. Naast de hoeveelheid van een bepaald mineraal in een voedingsmiddel is ook de beschikbaarheid ervan voor het lichaam van belang. Kan het lichaam het mineraal in de aangeboden vorm ook werkelijk gebruiken? Is het bijvoorbeeld goed oplosbaar in de lichaamsvloeistoffen. Verbindingen van de macro-elementen natrium en kalium zijn goed oplosbaar, terwijl calcium- en ijzerverbindingen minder goed oplosbaar zijn. Van deze verbindingen moeten we dus met de voeding meer binnen krijgen om hieruit de benodigde hoeveelheid te kunnen halen.
| Mineraal | Symbool | Functie | ADH mg/dag*) | Welke voedingsmiddelen |
| Natrium | Na | Natrium zorgt samen met kalium voor een soort pompwerking, waaroor er een constant stoom vloeistof in en uit de cellen stroomt. | max. 500 | Zout, zeewier, schelpdieren, vis en visproducten, rookvlees, ontbijtspek, bacon |
| Kalium | K | Draagt samen met natium zorg voor een juiste verhouding tussen vocht in de cellen en daarbuiten. | 2000 - 6000 | Citrusvruchten, vis, noten, groene blad-groenten, bananen, aardappelen, tomaten, appelstroop. |
| Calcium | Ca | Aanmaken en onderhouden van onze botten en tanden, samentrekken van de spieren, reguleren van hartslag en bloeddruk. | 700 - 1000 | Melk en melkproducten,kaas, soja, zalm, noten, groene groenten. |
| Fosfor | P | Fosfaten spelen een belangrijke rol bij de energiestofwisseling, vet- en eiwitstofwisseling en zijn de bouwstenen van ons erfelijk materiaal (DNA en RNA) | 700 - 1400 | Vis, gevogelte,vlees, granen, eieren, noten, zaden. |
| Magnesium | Mg | Stimuleren enzymactiviteit in de cellen, vrijmaken van energie. | 250 - 350 | Vijgen, citrusvruchten, noten, zaden, groene groenten, appels. |
| IJzer | Fe | Speelt een rol bij het transport van zuurstof door het bloed. | 9 -16 | Lever, hart, nieren, mosselen, oesters, rood vlees, eierdooier, noten en zaden. |
| Koper | Cu | Ook een onderdeel van vele enzymen en speelt o.a een rol bij de vormng van het donkere pigment, bot- en bindweefsel en de bloedstolling | 1,5 - 3,5 | Bonen, erwten, pruimen, lever, garnalen, vis, noten |
| Zink | Zn | Zink is een bouwsteen van meer dan 200 enzymen (o.a. het hormoon insuline, groei- en geslachtshormonen) | 9 -10 | Alle soorten vlees, tarwekiemen, biergist, eieren, groenten, vis. |
*) ADH = Aanbevolen Dagelijkse Hoeveelheid in mg per dag voor volwassen mannen en vrouwen van respectievelijk gemiddeld 75 en 65 kg (Richtlijn Commissie Voedingsnormen van de Gezondheidsraad).
Daarnaast worden bepaalde elementen alleen maar goed door het lichaam opgenomen in combinatie met andere voedingsstoffen. De opname van ijzer gaat beter in aanwezigheid van voldoende vitamine C. Andere voedingsstoffen remmen echter weer de opname van mineralen. De opname van calcium, ijzer en zink wordt geremd bij de aanwezigheid van de stof tannine (een looistof aanwezig in thee) of de stof fytinezuur.
Fytinezuur (inositolhexafosforzuur, een stof die o.a. voorkomt in zilvervliesrijst) gaat zelf een complexe verbinding aan met deze mineralen, waardoor ze onoplosbaar worden en niet meer door het lichaam kunnen worden opgenomen. Ze worden dan ongebruikt weer uitgescheiden. Het lichaam heeft een kleine voorraad aan mineralen opgeslagen in de spieren, de lever en de botten. Bij een tekort worden deze aangesproken. Bij een groot aanbod van mineralen in de voeding wordt het overschot meestal zonder schadelijke gevolgen door het lichaam uitgescheiden